Verleun vecht bij Westervoort

Dorbeck vocht in Rotterdam. Hoewel Dorbeck en Verleun overeenkomsten vertonen, is dit dus niet hetzelfde. Wel kreeg Verleun net als Osewoudt een telefoonnummer om te bellen. Het startschot voor het verzetswerk. 

Verleun had zijn studieboeken meegenomen toen hij bij de brug van Westervoort gestationeerd werd voor het uitbreken van de oorlog.   Hier is op de volgende website meer informatie over te vinden.  www.westervoort1940.nl 

 

De Nederlandse regering was begonnen aan de verdedigingslinie. De bedoeling was dat het in november 1940 klaar zou zijn. Deze was ongeveer 120 kilometer lang en liep langs Amersfoort, Veenendaal en Rhenen. Een half jaar voor de Duitsers tot een aanval overgingen, hadden de Duitsers dit rustig kunnen bestuderen. Ze maakten reisjes op Nederlands grondgebied. In Ouwehand dierentuin te Rhenen, stond een hoge toren. Deze was voor toeristen zodat zij over het landschap konden uitkijken. De Duitsers konden hier echter ook goed gebruik van maken om de verdedigingslinie in kaart te brengen. Deze verkenningstochten gebeurde niet in het geheim. Ze droegen hun militaire uniform. Er ontstond dan ook discussie of de toren niet afgebroken moest worden. Dit gebeurde niet want de toren trok namelijk veel toeristen en dus inkomsten voor het dierenpark op.

Jan Verleun was bij brug van Westervoort toen de oorlog begon. Op www.grebbenberg.nl  staat beschreven hoe de een linie aangelegd was.  De Grebbelinie was een gangensysteem met een frontlijn waar de strijd plaats vond. Dit was naar voorbeeld van de loopgraven uit Frankrijk die in de Eerste Wereldoorlog gebruikt werden. Op afstand, niet te groot maar ook niet te dichtbij de frontlijn moest een stoplijn komen. Met verbindingsloopgraven naar de frontlijn konden er doden en gewonden afgevoerd worden en kon zelfs de frontlinie afgelost worden door verse eenheden. Ook konden er wapens en munitie vanaf de stoplijn aangevoerd worden. En er was een derde lijn, deze moest plaats geven aan de commandanten, geneeskundige dienst en reserve troepen. Nederland heeft geprobeerd dit op een goedkopere manier te imiteren. In de Nederlandse variant was er een grotere afstand tussen de frontlijn en de stoplijn. Niet alleen omdat dit goedkoper was, maar omdat er natuurlijke barrières waren en er om andere redenen concessies gedaan werden. Belangrijker was dat de verbindingsloopgraven er niet kwamen. Dit werd wel als een geul aangelegd, maar dat bood niet de veiligheid die een loopgraf gegeven zou hebben. De derdelinie werd vrijwel niet aangelegd. Er werd weinig gebruik gemaakt van prikkeldraad en landmijn hindernissen en er kwamen maar weinig vestingen die tegen langdurig artillerie vuur bestendig waren.

Draadloze communicatie middelen waren schaars, er werd gewerkt met gewone telefoons waarvan de lijnen niet beveiligd, noch ingegraven waren.

`De korporaal gaf per telefoon aan de het commando de woorden door van de man die aan de ingang van de bunker de mijne herhaalde. Deze begreep niet wat ik bedoelde met het vermenigvuldigen van het uiteindelijke aantal rubberboten gedragen door zes mannen nog nog eens zes die volgden met munitiekisten. Ik moest me opkeren om hem duidelijk te maken dat zes plus zes twaalf was.`[i]

 

De verbindingsloopgraven ontbraken en de telefoonlijnen knapten. De instructies werden dan ook per hoorn geblazen. Dit was prettig voor de Duitsers, die konden meeluisteren. Stellingen waren van aarde en zand gemaakt ipv beton. Ook was er vanaf de linie geen vrij gezichtsveld, het zogenoemde schootsveld. Het zicht werd ontnomen door o.a. een boomgaard. Het zou te kostbaar zijn geworden als voor de verdedigingslinie alle obstakels en bomen verwijderd moesten worden. Daar kwam nog eens bij dat het Nederlandse leger veel slechter geoefend was.

 

Op het moment dat de Duitsers met de Nederlanders in gevecht waren bij de Westervoort  raakte Jan Verleun zwaargewond en deed hij God een gelofte. Zijn makkers kregen hem te pakken en wisten hem op een veilige plek te krijgen. De operatiekamer waar hij in terecht kwam, zou schoon geweest zijn toen hij naar binnen gedragen werd. Het bloed zou duimhoog tegen de muren gezeten hebben toen hij uit de operatiekamer kwam. Nederland had zich overgegeven. Jan Verleun krabbelde op en ging in zijn militaire kloffie naar huis in Amsterdam. Op weg naar huis kwam hij, in de trein Pam[ii] tegen. De jongen die zich naar zijn initialen noemde. Ze raakten aan de praat. In Amsterdam aangekomen dronken ze nog een kopje koffie. Op een sigarette doosje schreef Pam in code een telefoonnummer en gaf dit aan Jan Verleun.

            `Bel op Amsterdam 38776, volgende week zaterdag 5 uur. Dorbeck`[iii]

Pam werkte bij de Voedselvoorziening. Een goede dekmantel voor verzetswerk. Met de auto’s hiervan hadden ze gelegenheid om wapens en personen ongemerkt te transporteren. Pam introduceerde Jan Verleun bij CS-6, wat toen waarschijnlijk nog geen CS-6 heette. Voordat hij aan de slag ging voor deze verzetsgroep moest hij eerst in gesprek met zijn vader. Het was een vertrouwelijk gesprek, de nieuwsgierige broertjes en zusjes mochten er niet bij aanwezig zijn. Er werd gewikt en gewogen. Uiteindelijk kwam zijn vader tot dezelfde conclusie als Jan: Jan had God een belofte gedaan op het moment dat hij door een granaat in zijn arm geraakt werd. Als hij toen en belofte gedaan had, dan moest hij zich hieraan houden.

Zijn belofte was: “Als hij het zou overleven, dan zou hij er alles aan doen om de Mof uit het land te verjagen”. Hierop stond het vast dat Jan het verzet in moest.[iv]

 

 

[i] De belofte die Jan Verleun zijn leven kostte blz  17

[ii] Petrus Antonius Martinus Pooters

[iii] De Donkere kamer van Damokles.

[iv] Soldaat in verzet. De belofte die Jan verleun het leven kostte, Do du Preez-Verleun, Pauline Wesselink, Uitgeverij Conserve, 2004


Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.